Archief van de categorie ‘Female Business Interviews’
Geplaatst door Ellen Kleverlaan
Female Business Interviews
Aug 30, 2010

Veel wezenlijker dan wat je kunt, is wie je kent, zegt Miriam Notten, directeur van La Red, Nederlands grootste netwerkadviesorganisatie. Haar advies: voeg een netwerkkaart toe aan je CV als je gaat solliciteren. En voor afdelingen P&O: toets het netwerk van de sollicitant.
Een goed netwerk, we willen het allemaal en waarom? Simpel, met een goed functionerend netwerk bereik je nou eenmaal veel meer dan in je eentje. Miriam Notten richtte in 2003 La Red op: een netwerkadviesorganisatie die mensen ondersteunt om het beschikbare sociale kapitaal zakelijk te leren inzetten. Netwerken dus. Want zakelijke relaties ga je aan met mensen en niet met organisaties. Met een team van tien mensen is bijna alles oplosbaar, zegt Notten. “Gemiddeld kent ieder mens zo’n 600 mensen. Met tien mensen ken je samen dus 6000 mensen.” En dat gemiddelde gaat alleen maar verder omhoog de komende jaren, dankzij social media. We worden als het ware steeds interactiever.
Netwerkkaart
De dienstverlening van La Red bestaat onder meer uit het leren benutten van je netwerk. En het waar nodig overbruggen van ‘gaps’ in dat netwerk.
Hoe gaat dat in zijn werk? “Een accountmanager in de bouw had bedongen dat zijn werkgever hem zou ondersteunen in het strategisch inzetten van zijn netwerk. Wij maakten voor hem een analyse van het gewenste netwerk en van het netwerk op dat moment. Hij diende daarvoor zelf in kaart te brengen wie hij kende, hoe goed hij deze contacten kende, en hoe belangrijk zij voor hem zijn. Wij analyseren vervolgens waar de gap zit tussen gewenste en huidige netwerk. Waar het overontwikkeld is of juist onderontwikkeld en waar het wel aanwezig is maar beter benut kan worden. Wij noemen dat een Netwerk Atlas.” Wat eventueel volgt is een coachingstraject om het gewenste netwerk te realiseren en ook: te benutten. Want met alleen een netwerk ben je er natuurlijk niet, je moet het wel weten aan te boren. Wie solliciteert op een functie waarvoor een groot netwerk is vereist, adviseert Notten een netwerkkaart bij zijn CV te voegen. Hoe ziet dat eruit? “Het is een manier om te visualiseren hoe het netwerk van jou eruit ziet. Het clustert de relaties geografisch en functioneel en het kwantificeert het aantal contacten. In een oogopslag is duidelijk waar ‘werk aan de winkel is’ en waar het netwerk al goed ontwikkeld is.

Zwakke relaties
De werkgever op zijn beurt, kan een sollicitant of medewerker beoordelen op karakter, kennis en kunde. Het beoordelen van een netwerk, is lastiger, legt Notten uit. “Dat blijkt vaak pas in de loop der tijd; of iemand het netwerk heeft dat gunstig is voor de functie. Als een werkgever het al bij een sollicitatieprocedure onderzocht wil hebben, dan brengen wij het netwerkprofiel in kaart.” Een goed netwerk wordt voor veel functies gevraagd, zegt Notten. Maar het toetsen ervan, daarvoor heeft een personeelsfunctionaris of leidinggevende vaak niet de juiste middelen. Dus een snelle blik op het aantal Facebook- en LinkedIn contacten is niet voldoende? “Het zegt wel iets natuurlijk, maar het vertelt je niet of die contacten ook een bruikbaar netwerk opleveren. Dat veel contacten zogeheten ‘zwakke relaties’ zijn, is helemaal niet erg, zegt Notten. “Van je zwakke relaties moet je het juist hebben. Je echte vrienden, die we ’sterke relaties’ noemen, brengen over het algemeen geen commerciële opportunities meer mee. Dat stadium ben je voorbij met hen. Je moet het in je netwerk hebben van je andere sociale contacten. Dat heeft wel onderhoud nodig, het aanboren van dat netwerk gaat niet vanzelf. Maar door je netwerk van zwakkere relaties te onderhouden, is de opbrengst hoger dan van sterke relaties.”
Geplaatst door Ellen Kleverlaan
Female Business Interviews
Aug 30, 2010
Veel wezenlijker dan wat je kunt, is wie je kent, zegt Miriam Notten, directeur van La Red, Nederlands grootste netwerkadviesorganisatie. Haar advies: voeg een netwerkkaart toe aan je CV als je gaat solliciteren. En voor afdelingen P&O: toets het netwerk van de sollicitant.
Een goed netwerk wordt voor veel functies gevraagd. Echter, de werkgever kan een sollicitant of medewerker beoordelen op karakter, kennis en kunde; het beoordelen van een netwerk is lastiger, zegt Notten. Want dat blijkt vaak pas in de loop der tijd: of iemand het netwerk heeft dat gunstig is voor de functie. Een snelle blik op het aantal Facebook- en LinkedIn contacten is dus niet voldoende.
Interessant is het onderscheid dat Notten maakt tussen zwakke en sterke relaties. Dat veel contacten op Facebook en LinkedIn zogeheten ‘zwakke relaties’ zijn, is helemaal niet erg, zegt Notten. “Van je zwakke relaties moet je het juist hebben. Je echte vrienden, die we ’sterke relaties’ noemen, brengen over het algemeen geen commerciële opportunities meer mee. Dat stadium ben je voorbij met hen. Je moet het in je netwerk hebben van je andere contacten. Dat heeft wel onderhoud nodig, het aanboren van dat netwerk gaat niet vanzelf. Maar door je netwerk van zwakkere relaties te onderhouden, is de opbrengst hoger dan van je sterke relaties.”
Volgende week meer over Miriam Notten en over netwerken.
Geplaatst door Farah Nobbe
Female Business Interviews
Aug 22, 2010
In het afgelopen anderhalf jaar werkten we aan het boek ‘Meestersprekers, over de kunst van het spreken’ dat september dit jaar zal verschijnen bij Academic Service. In dit boek komen negentien bekende sprekers aan het woord, waaronder Hans Wiegel, Ben Tiggelaar en Hedy d’Ancona. Zij geven diepgaande en verrassende inkijkjes in de praktijk van het presenteren. Bij wijze van voorpublicatie vind je hier een deel van ons interview met Hedy d’Ancona.
Beschouwt u zichzelf als een goede spreker?
Je weet natuurlijk niet of je zelf een goede spreker bent, ik denk het wel. Je hoort het van anderen, dat ze zeggen dat ze tevreden zijn, dat je daar complimentjes over krijgt. Niet altijd hoor. Het gaat ook wel eens een keer niet zo goed omdat je je toch verkeken hebt op het soort mensen of zo. En daar moet je ook weer niet ongelukkig over zijn.
Is presenteren te leren?
Ja, je moet het leren. De één zal het makkelijker leren dan de ander. Ik heb het geleerd omdat ik in mijn studententijd jarenlang cabaret heb gedaan. Niet iedereen heeft hetzelfde dramatische talent. In onze Tweede Kamer is het niet dik gezaaid. Marijnissen kon het heel goed, was echt iemand van de dramatiek. Femke Halsema kan het ook behoorlijk goed. Zij wilde ook altijd toneelspeelster worden, dus die leeft daar iets in uit. Mariëtte Hamer, hoe aardig ik haar ook vind, meeslepend spreken is niet haar sterkste punt. Agnes Kant was er ook niet zo goed in. Nou ja, je moet ook weer niet hysterisch worden, dan vind ik het weer eng. Maar je moet wel een beetje ver durven gaan. En verder, je leert van de keren dat het niet goed ging, van je eigen fouten. Je kunt wel een andere spreker heel erg goed vinden, maar je kunt iemand anders natuurlijk nooit nadoen. Je moet echt proberen om je eigen persoonlijkheid te bewaren. Dus niet van: ‘Nu ben ik de spreker’ en ineens zo’n toon aanslaan. Je moet, en dat is moeilijk, zo dicht mogelijk op je eigen persoonlijkheid blijven zitten.
Ziet u verschil in spreken tussen mannen en vrouwen?
Ja, dat zie ik zeker, daarom zeg ik ook: ‘Probeer toch een beetje in de buurt van jezelf te blijven’. De voorbeelden van sprekers die we met de paplepel ingegoten kregen zijn toch meestal grote mannen. En dat is dus niet wat je na moet gaan doen. Misschien zijn vrouwen die dat wel doen bang dat ze anders niet serieus genomen worden.
Kunnen Nederlanders spreken?
Ik heb tien jaar lang in dat Europees Parlement gezeten, dus dan zie je dat Fransen en Italianen prachtig kunnen praten. Nederlanders hebben daar helemaal geen opleiding in, terwijl ik weet, ik heb neefjes in Frankrijk, dat je daar leert spreken op de middelbare school. Je leert discussiëren, dat kunnen wij ook niet goed. En ze leren oreren, dat leren wij ook niet, zelfs toen ik studeerde las je alles van papier als je iets moest voordragen. Maar hier in Nederland, wie kan er nou leuk spreken? Balkenende, dat vond ik helemaal niks. Ik vind Halsema dan eigenlijk nu de beste. En verder zie ik daar geen fantastische voorbeelden.
Hoe belangrijk is dat, te kunnen spreken, als je invloed wil uitoefenen?
Dat is erg belangrijk. Het is erg belangrijk om mensen mee te krijgen. Dat mensen denken: ‘Ja, zo is het.’ Het is toch de kunst van het verleiden en dat geldt niet alleen maar voor de politiek. Nou is het een tijd uit geweest, ook in de politiek. De politiek heeft last van ontideologisering, maar je ziet bijvoorbeeld aan Obama dat er kennelijk toch mensen achter je aan lopen, als je het goed kunt.
Wat is charisma volgens u?
Dat is het vermogen tot verleiden, dat is dat mensen aan je lippen hangen. Ik ben geen aanbidder van het koningshuis, maar die Máxima heeft wel een zeker charisma. Dan kan je zeggen, die ziet er zo mooi uit, maar zo lopen er heel veel van die blonde types rond, die dat haar zo hebben zitten, dus het moet iets meer zijn. Sommige mensen hebben het niet alleen aan hun schoonheid te danken maar aan iets anders. Ik denk aan zo iemand als Fortuyn, was ik ook geen liefhebber van, maar die moet charisma gehad hebben. Het was natuurlijk absoluut niet iemand van wie je kon vermoeden dat hij het zich kon permitteren te koop te lopen met zijn homoseksualiteit en darkrooms. Dan moet je iets hebben, hier in dat tuttelland waar we alles al te gek vinden. Dat heeft Wilders volgens mij niet. Overigens is er een verschil tussen charisma en personificatie. Charisma is veel mystieker, heeft veel meer met iemands echte persoonlijkheid te maken. De personificatie van de politiek is meer dat de minister-president Jan Smit een telegram gaat sturen om hem beterschap te wensen met zijn stembanden. Dat soort van idiotie. Dat ‘ik ben zo gewoon gebleven’, daar heb ik een ontzettende hekel aan. Zoals ik het ook heel naar vind als ze in verkiezingstijd op vuilniswagens gaan zitten, of gaan koken voor de voedselbank, of als ze accordeon gaan spelen. Dat vind ik helemaal niks.
Is charisma ook dat wat een spreker tot een meesterspreker maakt? Is dat net dat laatste stukje?
Ja, dat zou je wel kunnen zeggen. Charisma is de slagroom op de pudding.
Geplaatst door Nobbe │ Mieras
Female Business Interviews
Aug 6, 2010
In het afgelopen anderhalf jaar werkten we aan het boek ‘Meestersprekers, over de kunst van het spreken’ dat september dit jaar zal verschijnen bij Academic Service. In dit boek komen negentien bekende sprekers aan het woord, waaronder Hans Wiegel, Ben Tiggelaar en Hedy d’Ancona. Zij geven diepgaande en verrassende inkijkjes in de praktijk van het presenteren. Bij wijze van voorpublicatie vind je hier een deel van onze bevindingen rondom het onderwerp ‘Vrouwen en spreken’.
Toen we begin 2009 begonnen met de voorbereidingen van dit boek hadden we nooit kunnen bevroeden hoe ongelooflijk moeilijk het zou zijn om vrouwelijke meestersprekers te vinden en ze vervolgens ook nog te verleiden tot een interview. In de oriënterende fase van het boek vroegen we allerlei mensen naar lijstjes met meestersprekers. De namen die vervolgens genoemd werden bleken bijna allemaal mannen; we hebben blijkbaar maar weinig sprekende vrouwen op ons netvlies. Intensiever zoeken leverde al wat meer resultaat op, maar helaas bleek toen dat veel vrouwen niet wilden meewerken. Wat was hier aan de hand? Kunnen vrouwen niet presenteren? Kunnen ze het wel, maar willen ze niet?
Overigens komt die vraag niet alleen bij het presenteren op. Ook in bijvoorbeeld de media blijkt het aandeel zichtbare vrouwen klein te zijn. Volgens het Global Media Monitoring Project, dat iedere vijf jaar wereldwijd uitgevoerd wordt, was in 2009 slechts 30 procent van de mensen die op tv kwamen vrouw. Op de vraag waarom er toch zo weinig vrouwelijke deskundigen aan het woord komen in bijvoorbeeld actualiteitenrubrieken, antwoorden redacteuren dat er geen vrouwelijke specialisten zijn, en dat als ze er wel zijn, ze niet op tv willen. Het klinkt ons bekend in de oren.
Het zit hem denk ik een beetje in het verleiden van de zaal. Dat kunnen vrouwen ook prima, maar het veróveren van een zaal, de zaal op sleeptouw nemen, daar moet een bepaald machismo achter zitten. Vrouwen verontschuldigen zich bijna dat ze er staan. Ik moest voor de Avond van Wetenschap en Maatschappij regelen dat de tafelgesprekken werden voorgezeten door leden van de academie. Ik had een lijst van 24 wetenschappers, die ging ik allemaal opbellen om ze te vragen. Een enkeling kon niet omdat hij in het buitenland zat, maar de rest zei allemaal ‘ja’. Toen kwam ik bij de eerste vrouw in het gezelschap en die zei: ‘Kan ik dat wel?’. Ik zei: ‘Jezusmina, wat zit je nou weer stereotypen te bevestigen? Nou heb ik al vijftien mannen gesproken en níemand heeft gevraagd ‘Kan ik dat wel?’. Ze zeiden allemaal: ‘Prima, doe ik, leuk’.’ Zij antwoordde: ‘Ja, maar ik heb ook zo’n zachte stem.’ (Frits van Oostrom)
Er zijn dus wel capabele vrouwen voorhanden, maar ze hebben het lef niet om zich als deskundige te profileren. Ze willen álles van een onderwerp afweten en alsof dat niet genoeg is, willen ze ook nog eens een stem als een klok hebben voordat ze het podium durven te beklimmen. Zolang ze niet aan hun eigen hoge eisen voldoen, slaan ze de uitnodiging om te spreken liever af.
Of vrouwen anders spreken dan mannen? Vrouwen komen überhaupt niet opdagen. Ze zijn er wel, maar ze doen het niet. Ze vinden het geen onderdeel van hun werk. Ze begrijpen niet dat het een onderdeel is van hun leadership: profileren. Ze zijn te bescheiden, omdat ze denken dat ze niet genoeg weten over een onderwerp. Als je leider wilt worden in een bepaald veld en je wilt ergens de beste in worden, dan moet je dus niet achter je computer blijven zitten. Dan moet je laten zien dat jij de leider bent en ook voor mensen gaan spreken en uitdragen wat je kunt. Dat is onderdeel van je werk. En dat zien vrouwen gewoon niet. (Simone Brummelhuis)
Naast de belemmeringen die vrouwelijke sprekers voor zichzelf opwerpen, zien de meestersprekers in hun praktijk ook de nodige ouderwetse discriminatie. Misschien niet moedwillig en bewust, maar wellicht doordat mannen een minder goed gevoel hebben bij vrouwen, of doordat ze simpelweg minder vrouwen kennen.
Er zijn wel weinig vrouwelijke sprekers, maar er zijn sowieso heel weinig goede sprekers. Dus het ligt niet helemaal aan de vrouwen. Het heeft er ook mee te maken dat mannen zich vaak bedreigd voelen en dan duwen ze vrouwen een beetje omlaag. Hier bij INSEAD bijvoorbeeld krijgen de vrouwelijke hoogleraren bij de studentenbeoordelingen in het algemeen een punt minder dan de mannelijke hoogleraren. (Manfred Kets de Vries)
Het blijft onduidelijk wat de doorslag geeft in het gebrek aan vrouwelijke sprekers: ze kunnen wel, maar willen niet, of: ze willen wel, maar het wordt ze niet gegund. Misschien is het wel een combinatie van beide. Uiteindelijk is het ook niet zo interessant om deze schuldvraag te beantwoorden.
Vrouwen zijn per definitie niet van op de snelste hoekjes staan en anderen vertellen wat ze moeten doen. Vrouwen zijn per definitie van de zorgkant, van de achterkant, van ‘Ga jij maar spreken, ga jij het maar doen.’ Dat is de kracht van vrouwen. Ik kan me goed voorstellen dat er daardoor weinig vrouwen op de voorgrond treden. Het is ook wel een beetje egoïstisch om voor een zaal te gaan staan en te spreken. In het begin was het bij mij ook zo: ‘Oh, ik word gevraagd!’ Op een gegeven moment ga je leren om jezelf weg te cijferen en je boodschap naar voren te brengen. Dat is een proces, dat de boodschap de boventoon gaat voeren en niet het ego. Ik geloof dat de beste sprekers dat proces hebben moeten meemaken. Vrouwen hebben vaak het ego niet om daar te gaan staan. Ik vind het ook jammer dat in deze samenleving, waarin zichtbaarheid zo belangrijk is, de eigenschappen van vrouwen niet zichtbaar worden. Maar ik ga vrouwen niet duwen, zo van ‘Ga jij maar’, want het is niet eigen, het past niet. (Bercan Günel)
Günel voelt niet de behoefte om vrouwen het podium op te duwen, omdat het volgens haar niet past. Wij voelen die behoefte wel. Wat de reden voor het gebrek aan sprekende vrouwen ook is, wij kunnen er maar moeilijk mee leven. Want de invloed van de spreker reikt ver, vaak verder dan gedacht. Mèt de microfoon laten veel vrouwen ook een kans op invloed aan zich voorbijgaan.
Natuurlijk heeft presenteren iets te maken met ego. Volgens Bercan Günel is het misschien zelfs wel de hoofdzaak. Maar Günel laat ook zien dat iedere goede spreker gaandeweg het inzicht krijgt dat het niet over het ego gaat, maar over het dienen van je publiek met de inhoud.
Als het waar is dat vrouwen meer van het dienen dan van het profileren zijn, dan roepen we alle vrouwen op om de wereld te dienen met hun presentaties.
Arnhem, juli 2010
Farah Nobbe en Natalie Holwerda

Geplaatst door Ellen Kleverlaan
Female Business Interviews
Aug 6, 2010
Meer diversiteit in de top van het Spaarne Ziekenhuis gaat niet vanzelf. Yvonne Wilders, lid van de Raad van Bestuur, en manager Stéphanie de Blécourt ondertekenden daarom in mei het charter ‘Talent naar de Top’. Stéphanie de Blécourt, Denise Nio (vaatchirurg) en Dominique Boks (medisch leider verloskunde/gynaecologie en gynaecoloog) leggen graag uit waarom het belangrijk is om meer diversiteit in de top van een ziekenhuis te hebben.
Het charter Talent naar de Top is een resultante van een samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid en vakverenigingen. Het beoogt meer vrouwelijk talent aan de top. Met het ondertekenen van het charter belooft ook het Spaarne Ziekenhuis een duidelijke strategie te ontwikkelen voor toestroom, doorstroom en behoud van meer vrouwelijk talent. Het Spaarne Ziekenhuis is één van de 106 ondertekenaars tot nu toe van dit charter. Goede intenties zijn er vaak wel, zegt De Blécourt. “Maar in de praktijk komt er niet zo veel terecht van de doorstroming van vrouwen naar de top van organisaties.” Door het ondertekenen van dit charter, blijven de intenties niet steken in vrijblijvendheid. Het is noodzakelijk dat meer vrouwen gaan werken en dat zij doorstromen naar de top. De Blécourt: “Bedrijven waarin de top van de organisatie uit een diversiteit aan mensen bestaat, doen het bedrijfseconomisch gewoon beter.” De noodzaak is er, ook om de vergrijzing het hoofd te bieden. Maar hoe bereiken we dat zowel vrouwen als mensen met een andere culturele achtergrond doordringen tot de top? En: hoe verhogen we überhaupt de (fulltime) arbeidsparticipatie van vrouwen?
Succesvol
Denise Nio is de enige vrouw van de acht chirurgen van de maatschap. Naast Dominique Boks zijn er nog twee vrouwelijke gynaecologen van de acht. Stéphanie de Blécourt is één van de drie vrouwelijke bedrijfsleiders, van de zes in totaal. Voor De Blécourt, Nio en Boks is een fulltime baan vanzelfsprekend. Alledrie benadrukken zij dat iedereen de vrije keuze moet hebben om (fulltime) te werken of niet. Zij hebben een duidelijke keuze gemaakt: alledrie combineren zij een fulltime baan met het moederschap. Nio: “Ik ben heel gelukkig met mijn kinderen en ik ben tegelijkertijd heel gelukkig met mijn werk.” Boks: “Van participeren in het arbeidsproces word ik een beter mens.”
Eén oppasadresje
Da’s dus duidelijk. Maar waarom werkt het voor hen om beide te combineren? Sterker nog: Nio en Boks vinden beiden fulltime werken noodzakelijk voor een specialist. Als zij de keuze hebben tussen een nieuwe collega die parttime wil werken of een die fulltime prefereert, kiezen zij onomwonden voor de fulltime kandidaat. Het is veel lastiger om de overdracht goed te regelen als collega’s parttime werken, essentieel voor een professionele patiëntenzorg. Zoals bekend gaan veel vrouwen in Nederland parttime werken of stoppen zelfs helemaal met werken, zodra er kinderen komen. Denise Nio: “De kinderopvang goed regelen, dat is stap 1. Je bent er niet met één oppasadresje. Daarnaast vraagt het van mij een mentale omslag omdat chirurgen perfectionisten zijn. Het betekent dat ik moet accepteren dat de dingen ook wel eens niet helemaal gaan zoals ik wil.”
Flexibel
Dominique Boks: “De openingstijden van het kinderdagverblijf zijn niet ingesteld op de werktijden van een medisch specialist en de meeste scholen bieden geen voorschoolse opvang, terwijl ze dit wettelijk verplicht zijn.” Stéphanie de Blécourt: “De randvoorwaarden voor fulltime werkende ouders zijn in feite waardeloos. Je moet echt verschillende alternatieven hebben voor de opvang van je kinderen. Een circuit waarop je kunt terugvallen. Anders lukt het niet.” Boks: “Als specialist heb je geen 9 tot 5 baan. Dat is niet alleen maar ‘zwaar’; het biedt wel degelijk voordelen. Flexibel omgaan met een toneelstuk op school bijvoorbeeld, waar je als ouder bij wilt zijn.” Nio: “Ter compensatie van nacht- of weekenddiensten proberen we onszelf één dag in de week vrij te plannen. De meeste artsen brengen wel eens de kinderen naar school.” Een goede opvang voor de kinderen regelen en flexibiliteit op het werk, dat lijkt de oplossing. De Blécourt: “Als we nou eens beginnen met opnieuw te kijken hoe we ons werk en de randvoorwaarden organiseren, dat lijkt me heel interessant.”

Geplaatst door Ellen Kleverlaan
Female Business Interviews
Jul 2, 2010
Altijd al graag een boek op je naam willen hebben? Via blurb.com kun je al één boek laten drukken voor 35 euro. Interessant als relatiegeschenk, maar ook voor degenen die een markt voor hun ideeën of foto’s zien, want via de online boekhandel van Blurb kun je het boek aanbieden. De marketing doe je zelf. Bijvoorbeeld door met de widget Book Show op je social media een preview van het boek te geven. CEO Eileen Gittins biedt met Blurb, Engels voor flaptekst, een alternatief voor het traditionele uitgeven.
Ze is in Europa vanwege de lancering van een Franstalige Blurb-site en nu ze hier toch is, kan ze meteen aan de Engelse en Nederlandse pers en bloggers vertellen hoe goed het gaat met Blurb. Een aimabele dame, deze Eileen Gittins, die iedere vraag uitvoerig beantwoordt en telkens een interessant verhaal debiteert waaraan niet is te merken dat ze het vast al vaker heeft verteld allemaal. Dat we in een wereldwijde economische crisis zitten, is aan de cijfers van Blurb niet af te lezen. Vorig jaar steeg de omzet naar 45 miljoen dollar. Zo’n 40 procent daarvan wordt buiten de Verenigde Staten verdiend en 4 procent van de revenuen komt uit Nederland. “Juist in tijden als deze hebben mensen behoefte om hun verhaal te vertellen,” zegt Gittins. Nog wat cijfers: vorig jaar rolden 1,2 miljoen boeken van de drukpers, dat is dagelijks meer boeken, dan een gemiddelde uitgever in een jaar publiceert. Ongeveer 10 procent van al die boeken zijn wordy books, leesboeken dus. De overige zijn fotoboeken.
Dat is ook de reden dat een klein land als Nederland een relatief hoge omzet draait. “Jullie Nederlanders houden van architectuur, van design, social media en fotografie.” Gittins vergelijkt Nederland daarom wel met Californië, haar thuisbasis. Haar liefde voor de fotografie stond aan de wieg van Blurb. Als hobbyfotograaf wilde ze in 2003 van haar vele foto’s een boek maken voor familie en vrienden. Het bleek een onbetaalbaar project dat haar bovendien met een garage vol boeken zou opzadelen, want de minimale oplage was 500 stuks. Fotoboeken die je ook toen al kon laten maken van je favoriete vakantiekiekjes voldeden bij lange na niet aan de kwaliteit die zij voor haar fotoboeken wenste.
I kissed a lot of frogs
Het idee voor een printing on demand service voor kwalitatief hoogwaardige, betaalbare boeken in een oplage vanaf één exemplaar, was geboren. Als serial entrepreneur had ze zich al eerder zakelijk bewezen, waardoor twee venture capitalists over de brug kwamen met 2 miljoen dollar. “Dat lijkt veel, maar is het niet. Het was ook niet mijn idee dat aansprak, denk ik, want terwijl iedereen alles online bracht, zei ik dat er brood zat in de omgekeerde weg: van digitaal naar tastbaar product. Zij investeerden geld omdat ze vertrouwen in mij als persoon hadden. Maar: I kissed a lot of frogs.” In 2005 ging ze van start met haar eigen woonkamer als kantoor, naar goed Californisch gebruik. Ze verzamelde een clubje mensen, voornamelijk software ingenieurs, die als belangrijkste eigenschap deelden dat ze niet afkomstig waren uit de uitgeverswereld.
“Met Blurb wilden we geen geld verdienen met uitgeven, wij wilden geld verdienen met drukken. Bij uitgevers gaat heel veel tijd en geld zitten in het deel dat vooraf gaat aan het drukken van een boek en in het traject als het boek er eenmaal ligt. Redacteuren, vormgevers, marketeers, uitgevers, winkels en distributeurs, allemaal willen ze een deel van de koek.” Bij Blurb wordt het boek alleen maar gedrukt en indien gewenst online aangeboden. In een oplage die je zelf kiest. Oók als het er eentje is.
Emotioneel proces
Daarvoor was een geavanceerd en volledig gestandaardiseerd softwaremodel nodig, en partnerschappen met drukkerijen. Het eerste jaar ging op aan het ontwerpen van BookSmart, het softwareprogramma dat op zowel PC als Mac draait en waarmee de boekmaker in spe zelf zijn boek kan samenstellen. BookSmart biedt de semiprofessionele fotograaf, schrijver of kunstenaar genoeg keuzes in formaat, lay-out en papiersoorten. Maar ook weer niet zoveel dat het maken van keuzes een obstakel vormt. De software zit vol smarts: vreemde woorden worden herkend en een verkeerde paginanummering wordt gesignaleerd. Twee begrippen waren vanaf het begin belangrijk voor Gittins: “Kwaliteit en kleurmanagement. Wat wij bieden is de mogelijkheid om een boek te produceren dat in kwaliteit niet onder doet voor een boek in de boekhandel. Dat stelt hoge eisen aan het materiaal en aan de drukkwaliteit.” De relatie met haar drukkers is dan ook buitengewoon belangrijk. Er zijn er nu zeven. Vijf in de VS, een in Canada en voor Europa zetelt de drukkerij in Eindhoven. De naam prijsgeven van haar drukkerijen doet ze niet. “Een boek uitgeven is een emotioneel proces. Mensen zullen rechtstreeks contact zoeken met de drukker om te vragen hoe ver het proces is, of om te controleren of de kleur wel mooi is. Dat kunnen we de drukkerijen niet aan doen.”
Winkels voor een week
Ze strijdt tegen het idee dat in haar ogen nog steeds het imago van Blurb bepaalt: dat Blurb niets anders is dan de gemiddelde Kodak of HEMA waar je foto’s kunt uploaden om die vervolgens in een fotoboek terug te zien.
De nadruk op kwaliteit en kleurmanagement maakt Blurb ook voor commerciële partijen interessant. “Pixar en Disney zijn grote klanten van ons. Zij geven ons een goede naam, net als overigens al die miljoenen andere klanten. Word of mouth is een heel belangrijk mechanisme.”
Daarnaast zoekt ze naar manieren om haar fysieke producten, de boeken dus, te laten zien om zo een nog groter publiek te kunnen overtuigen van de kwaliteit van ‘haar’ boeken. “We gaan experimenteren met winkels voor een week; naast het tonen van al die verschillende boeken, houden we lezingen en presentaties.”
Bestseller
Voor wie nu denkt die langverwachte droom van een eigen bestseller via Blurb te realiseren, biedt Gittins een reality check. “The Butt Book van de Amerikaanse fitnessgoeroe David Kirsch overtrof al mijn verwachtingen door 60.000 exemplaren te verkopen. Hij is hier heel rijk mee geworden. Want een klein boekje als dit leverde hem 6 dollar per verkocht exemplaar op. Via een reguliere uitgever had het hem hooguit een dollar opgeleverd. But don’t quit your day job yet; hij had al een publiek. Zijn fans zaten te wachten op dit boek. Dat maakt een groot verschil. Weet je voor wie het ook interessant is om hun ideeën in boekvorm te gieten? Bloggers met een grote schare lezers.” Mooi, dat biedt perspectief. Maar gaat het fysieke boek het wel redden, met de opkomst van e-books? “We zien juist een toename van wordy books sinds de ontwikkeling van het e-book. Ik zie twee soorten boeken ontstaan. Boeken om te consumeren en boeken om te hebben. Het eerste lees ik op mijn e-bookreader. Met het tweede vul ik mijn bibliotheek; het zijn de boeken die ik krijg als cadeau of die gewoon heel mooi zijn om te hebben.” En nu ze toch aan het voorspellen slaat: tijdschriften zullen verdwijnen uit de schappen. “De vorm waarin we dergelijke informatie en beelden tot ons nemen, zal een digitale vertaling krijgen.” Zelf bewijst ze met Blurb keer op keer op alle ontwikkelingen in te springen; toen bleek dat de iPad geen Flash ondersteunde, wat voor de social media-widget Book Show vereist is, werd onmiddellijk een html-versie voor de iPad geschreven. “Het kostte ons 48 uur. En een heleboel bier en pizza.”

Geplaatst door Ellen Kleverlaan
Female Business Interviews
Jun 1, 2010
Al twintig jaar aan de top en ook in tijden van crisis succesvol:
Frédérique Constant, een Zwitsers horlogemerk met een onbetwistbare Nederlandse basis. Aletta Stas laat met haar man Peter zien hoe je dat doet. Het recept voor een succesvol zakelijk bestaan: “Consequent vasthouden je strategie.”
Schrijven over lifestyle, smaak of above all mode hoeft niet je cup of coffee te zijn; mensen met een verhaal tref je gelukkig overal. Want als je het voor elkaar krijgt om in een gesloten bastion als de Zwitserse horlogemakers zowel fysiek als qua positionering een plek te veroveren te midden van hen, dan maakt dat op zijn minst nieuwsgierig. Het verhaal achter Frédérique Constant is even Hollands als tot de verbeelding sprekend, zonder een tegenstelling tussen die twee te willen suggereren.
Passie
Aletta Stas en haar man Peter werkten in de jaren 80 van de vorige eeuw beiden bij internationale ondernemingen. Hij bij Philips, zij bij ING.
Beiden hadden echter het idee dat ondernemerschap hen zou passen.
Een passie voor uurwerken en horloges was er ook al vroeg. “Mijn vader reisde vroeger veel en nam wel eens een horloge voor mij mee. Een Japans horloge met hologram heeft mij jarenlang mateloos gefascineerd.”
Een eigen onderneming was weliswaar doel, maar het zou hen geen windeieren moeten leggen. Het betekende dat de passie voor horloges alleen een interessante zakelijke vertaling zou opleveren, met een lucratief business model. Op vakantie in het Zwitserse Bern rijpte langzaamaan een idee. “Wat ons opviel was dat juwelier Bucherer naast de Zwitserse horlogemerken in de hogere prijscategorieën, ook een huismerk verkocht dat niet minder mooi was. Het was wat ons betreft niet zo dat alleen de gerenommeerde horlogemerken kwaliteit uitstraalden en indruk achterlieten. Met dat gegeven besloten we wat te doen.” Het echtpaar ontwikkelde het idee van een merk dat zich qua techniek en esthetiek kon meten met de gevestigde horlogemerken, maar qua prijs gunstiger in de markt zou liggen. “We wilden niet slechts de interesse wekken van een selecte en elitaire groep verzamelaars, maar interessant zijn voor een bredere groep van enthousiastelingen. Met kwalitatief hoogwaardige horloges tegen redelijke prijzen. Affordable luxury dus.”
Keurmerk
Inmiddels woonden zij voor hun werk in Hongkong. Rond 1991 maakte Peter Stas in de avonduren een zestal prototypes voor het te lanceren merk. Een bestelling van 300 exemplaren maakte het noodzakelijk dat Aletta Stas het productieproces zou gaan inrichten. De keuze voor Zwitserland was evident. “Het imago van de Zwitserse uurwerken is onaantastbaar. Het is gebaseerd op vakmanschap dat nimmer betwist wordt, voor zowel mechanische als quartz-uurwerken. Een horloge voorzien van het Swiss-keurmerk zegt dan ook precies wat het zeggen moet.” Het was eerst nodig een leverancier te vinden. Dat lukte wonderwel vrij gemakkelijk via de Fédération Horlogère Suisse. “Ik verwachtte dat een leverancier moeite zou hebben om een nieuw merk met niet-Zwitserse roots te ondersteunen, maar dat was niet het geval.”
De vervolgstap was het vinden van een partner in Genève, om het Swiss-keurmerk op de wijzerplaten te mogen zetten.
Voeten in de aarde
Daarna breidden de orders zich gestaag uit. In 1997 volgde de keuze om er samen voor te gaan. Het echtpaar Stas verhuisde naar Zwitserland. Dat had nog wel wat voeten in de aarde. Want produceren in Zwitserland is één ding, als buitenlanders wonen en werken in het Zwitserland van toen nog strikt opgedeelde Europa, was een andere. Toen de businessplannen waren goedgekeurd en de verhuizing een feit was, werd een eigen assemblage opgezet, om het in elkaar zetten van de horloges geheel in eigen hand te houden. “Dat is nog steeds niet vanzelfsprekend; er zijn verschillende merken die het productieproces uitbesteden.”
Eigen uurwerk
In de jaren die volgden, werd steeds een grotere vestiging betrokken. In 2005 besloten zij om te verhuizen naar Plan les Ouates, in de volksmond Plan les Watches geheten. Er staat nu een middelgrote assemblage van 3200 m² waarin alle activiteiten van Frédérique Constant plaatsvinden.
Buren zijn Piaget, Harry Winston, Rolex en andere grote namen. Maar fysiek uitbreiden was niet het enige dat zij deden. Om zich te blijven onderscheiden in de markt, besloten ze een eigen uurwerk te ontwikkelen.
“Het moest een onderscheidend model zijn, passend bij de kwaliteit die wij nastreven. Klassiek en herkenbaar.” Niet alleen wilde Frédérique Constant laten zien dat het een serieus te nemen merk was, er was ook de behoefte om het al eerder ontworpen heartbeat-horloge een eigen plek te geven en de concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Het heartbeat-horloge kreeg zijn naam omdat het aan de voorzijde een opening in de wijzerplaat heeft, waardoor het laat zien dat het een mechanisch horloge is. Op de plek waar de wijzerplaat 12 uur aangeeft, zit een ronde uitsparing waardoor te zien is dat het ‘tikt’ alsof het de hartslag betreft. Er zaten drie jaar van ontwikkeling in het eigen uurwerk. In 2004 werd het gelanceerd en volgde ieder jaar weer een nieuw model. Waarin achtereenvolgens de maanstand werd getoond, een automaat het licht zag en een eigen Tourbillon op de markt kwam: een horloge dat de invloed van de zwaartekracht vereffent om zo mogelijke onnauwkeurigheden teniet te doen.
Affordable luxury
De wereldwijde economische crisis die eind 2008 inzette, zorgde ervoor dat de horloge-industrie 30 procent inleverde op zijn omzet. Voor Frédérique Constant betekende het stagnatie van de omzet, die tot dan toe ieder jaar met ongeveer 25 procent toenam. Waarom lukt het Frédérique Constant wel om overeind te blijven in deze moeilijke markt?
“In tijden van crisis gaan mensen toch of juist op zoek naar mooie spullen.
Kwaliteit staat dan voorop; het moet wel duurzaam zijn, want er is immers minder geld. Daarbij valt de keuze eerder op een merk dat dit in zich heeft, maar geen al te hoge prijzen vraagt. Voor mid-range producten is een crisis dus niet het einde van de wereld, al betekent het voor ons natuurlijk ook een daling van inkomsten vergeleken met de jaren daarvoor.” Maar de wensen van de consument zijn niet de enige reden voor succes. “Wij zijn blijven vasthouden aan onze strategie om affordable luxury te leveren. Wij hebben zo doelbewust gezocht naar een strategie waarin wij met hart en ziel geloven, dat we onder invloed van externe factoren daarvan niet zullen afwijken.” De vergelijking met koffiemerk Nespresso dringt zich hier op. Want ook Nespresso levert affordable luxury. En ook zij blijven rigide vasthouden aan hun strategie. Dat Nespresso van Zwitserse origine is, mag een saillant detail heten.
Onbereikbare wereld
Naast verkoopcijfers blijkt uit eigen onderzoek dat de strategie aanslaat bij de doelgroep. “Uit een onderzoek onder mensen die in het vliegtuig duty free een Frédérique Constant aanschaften voor rond de 350 euro, blijkt dat mensen dit model kochten omdat het de uitstraling heeft van een Patek, voor een prijs die daar ver onder ligt.” De marketing van Frédérique Constant is uiteraard met een flink sausje affordable luxury overgoten. De advertentiecampagnes die in Zwitserland worden bedacht, bestaan grotendeels uit fotomateriaal van auto’s, boten en aan sport gelieerde persoonlijkheden, met opvallend veel zeilers en polospelers. Die niettemin een factor ‘identificeerbaarheid’ in zich dragen: het is niet een onbereikbare wereld die wordt gecreëerd, maar eentje die op dit moment nog niet de onze is.
De distributie wordt merendeels door lokale distributeurs ter hand genomen, die kennis hebben van de lokale markt. Distributeurs die met zorg worden uitgekozen zoals Paul Simons in Nederland. Affordable luxury: het lijkt een uitstekende strategie om te overleven in tijden van crisis. Of het is een rotsvast geloof in de eigen strategie en het niet afwijken van dat pad, dat garant staat voor succes. Toch iets om over na te denken.